De baasjes gaan weg, de hond blijft alleen thuis. Als de hond dan
gaat blaffen en
janken, loopt hij zenuwachtig rond, bijt van alles stuk of is
onzindelijk, dan is de kans groot dat hij dat doet omdat hij niet
goed alleen kan zijn. Het is een misverstand dat hij dit doet om
wraak te nemen op zijn baasjes. Hij vertoont deze voor ons negatieve
gedragingen alleen maar vanuit een pure onlust. Honden zijn
roedeldieren. In de natuur blijft een roedel altijd samen. Gaat er
één van de roedelleden weg, dan wordt er in de roedel aangenomen dat
dit lid nooit meer terugkomt. Gaat het hier om iemand met een lage
rang dan is zijn vertrek meestal niet zo erg. Een ranglagere heeft
immers geen al te belangrijke functie binnen de groep. Gaat er
echter een hogere weg, dan is de kans groot dat er binnen de roedel
problemen ontstaan. Deze hogere heeft namelijk wel een belangrijke
functie. Als deze wegvalt moet deze rol ingevuld worden door een
lagere. Dit geldt zeker als het gaat om de leidersfunctie. De
rangordeverschuivingen die hierdoor ontstaan binnen de roedel zorgen
wel eens voor problemen tussen de honden die achterblijven.
Heb je maar één hond die achter moet blijven, dan wordt deze hond
automatisch de leider. Niet elke hond kan goed omgaan met deze nieuw
verworven rang van leider. Sommige honden, bètahonden genaamd, zijn
niet zelfverzekerd genoeg om leider te zijn en kunnen behoorlijk
over hun toeren raken als zij met deze functie worden
geconfronteerd. Hieruit vinden we al twee mogelijke redenen waarom
honden niet goed alleen kunnen zijn: de gedachte dat de baas niet
meer terug komt en het idee om leider te moeten zijn.
Ruimte
Veel mensen zijn geneigd om alle deuren in huis open te zetten
als hun hond alleen thuis moet blijven. Dit in de veronderstelling
dat het zo voor de hond een beetje makkelijker is om alleen te
blijven. Hij kan dan alles zien en gaan liggen waar hij wil.
Toch blijkt dit meestal niet te werken. Erger nog, hierdoor zou
het zelfs kunnen gebeuren dat er nog meer gedragsproblemen ontstaan.
Doordat de hond gerechtigd wordt overal en altijd te mogen zijn
krijgt hij sowieso een hogere plaats in de hiërarchie van de roedel
toebedeeld.
De hond mag zo dus een beetje baas zijn in het gezin. Honden die
veel ruimte krijgen voelen zich helemaal niet beter. In tegendeel
zelfs, een kleinere ruimte geeft honden meer het gevoel van
veiligheid en geborgenheid. Ook wij mensen kennen dat gevoel. Stel,
u wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Nu blijkt dat de
sollicitatieruimte een enorm grote en haast lege zaal is met in het
midden een tafel met daaraan een vijftal personen dat u gaan
interviewen. U zult nu niet alleen gespannen zijn door de
sollicitatie zelf, maar vooral ook door die grote ruimte. De ruimte
overvalt je, je kunt je nergens aan vasthouden. Je krijgt in deze
ruimte een gevoel van onmacht. Als u deze sollicitatie echter in een
kleine kamer doet, dan zult u misschien wel zenuwachtig zijn voor
het interview, maar druk door de kleine kamer ervaart u nu niet.
Hieruit kunnen we concluderen dat u een hond die alleen moet blijven
het beste niet teveel ruimte geeft. Zet hem liever in een kleine
kamer of in een kamerkennel. Maak van deze ruimte een veilige plaats
zodat hij zich hierin geborgen voelt.
Vertrekrituelen
Als u het huis uit gaat en laat u daarbij aan de hond
vertrekrituelen zien, dan begint het probleem van niet alleen kunnen
zijn nog voor u helemaal weg bent. Meestal vertonen de baasjes heel
onbewust zulke vertrekrituelen. Jas of schoenen aandoen,
autosleutels pakken, bepaalde deuren en of ramen sluiten. Dit zijn
vaak rituelen die onvermijdelijk zijn, maar die het vertrek van de
bazen voor de hond extra moeilijk maken. Erger zijn de rituelen die
bewust worden uitgevoerd. Zo geven veel mensen hun hond een snoepje
en een knuffel voor ze vertrekken. Verbale vertrekrituelen zoals
'braaf zijn, 'niets stuk maken', 'het baasje komt zo weer terug',
zeggen niets meer tegen de hond dan dat hij er weer alleen voor zal
staan. Al deze extra aandacht maakt de hond kenbaar dat de baasjes
weg zullen gaan en brengt hem eerder in de problemen. Veel beter is
de hond totaal te negeren bij het vertrek en bij thuiskomst te
belonen als hij niets fout heeft gedaan tijdens de afwezigheid van
de baas.
Direct bij thuiskomst negeert u in eerste instantie de hond. Pas
als hij helemaal rustig is, beloont u hem met aandacht of een
snoepje. Als u toch graag wat geeft bij het vertrek, maak dan
gebruik van therapeutisch speelgoed zoals een activityball, Kong of
mergpijp.
UW HOND LEREN ALLEEN TE ZIJN
Als een hond niet alleen kan zijn, moet u niet zijn negatieve
gedrag aanpakken, maar de oorzaak van het probleem. U gaat hem dus
niet afleren om iets stuk te bijten, te janken of te blaffen. De
hoofdoorzaak is altijd te vinden bij het vertrek van de baas. Zoals
eerder beschreven denken honden dat, als een roedellid weggaat, hij
in principe ook niet meer terugkeert. Gemiddeld genomen hebben
honden die niet alleen kunnen zijn slechts het eerste kwartier
hiermee problemen. Houden de problemen toch langer aan dan is dat
meestal te wijten aan verveling of frustraties. Hieruit kunnen we
afleiden dat alleen het eerste kwartier van zijn alleen zijn dient
te worden aangepakt.
U dient in feite ook de hond niet echt te leren om alleen te
kunnen zijn, maar u leert hem dat als de baas weggaat hij ook wel
degelijk terug zal komen. Neem een voor de hond goed herkenbare doos
en vul die met hondensnoepjes. Zet deze doos op een vaste plaats in
een kast. Enkele dagen na elkaar geeft u meerdere malen per dag,
duidelijk in het zicht van de hond, hem een snoepje uit deze doos.
Na enige tijd zal de hond deze doos zeer goed herkennen. Is hij
uiteindelijk gek op de doos, dan kan de eigenlijke training
beginnen. U brengt de hond op de plaats waar hij in de toekomst
dient te verblijven als hij alleen gelaten zal worden. Dit kan in
een kleine ruimte of in een kamerkennel zijn. Nu haalt u zijn
koekjesdoos uit de kast en zet die buiten bereik, maar wel goed in
het zicht van de hond. Door de doos in het zicht van de hond te
zetten laat u eigenlijk toch een vertrekritueel zien.
Toch is dat in dit geval niet zo erg. De doos heeft hier namelijk
een heel bepaalde functie. We hadden eerder de hond al gek gemaakt
van deze doos. Hierdoor is hij zo fel bezig met de doos, dat hij
haast niet meer in de gaten zal hebben dat de baas weggaat. Een
ander voordeel van deze doos is dat de hond kan leren dat hij er een
snoepje uit kan verdienen als hij zich gedraagt zoals het hoort. Nu
alles klaar staat, gaat u naar de deur om weg te gaan. Nog voor u de
deur bereikt keert u terug naar de hond, geeft hem een snoepje uit
de doos en zet de doos terug in de kast. Hiermee is de eerste
trainingssessie al afgelopen.
Let wel! U dient altijd naar de hond toe te gaan nog voor hij
enig gedrag van verlatingsangst vertoont. Het kan dus best zijn dat
u tijdens de eerste sessie niet eens bij de deur kunt komen. De
volgende sessies verlopen op precies dezelfde manier. De hond op
zijn plaats, de doos in zijn zicht en u gaat weg. Nu is het wel de
bedoeling langzamerhand het weggaan op te bouwen. Dat wil zeggen: u
neemt de deurkruk eens vast - doet de deur eens open en - deur
openen en erdoor stappen - erdoor stappen en de deur sluiten .....
U ziet het, het duurt wel even voor u daadwerkelijk weg kunt
gaan, maar alleen een zorgvuldig opgebouwd trainingsschema kan maken
dat de hond zijn verlatingsangst kwijtraakt. Zodra u de deur achter
u kunt sluiten, dus als de hond werkelijk alleen achter blijft, gaat
u seconde per seconde opbouwen. Eerst maar één seconde wegblijven,
dan twee, drie, vier,... Hoe verder u de tijd kunt oprekken, des te
groter de stappen kunnen worden, maar voorzichtigheid is geboden.
Gaat het eens een keertje fout, doe dan voldoende stappen terug in
het leerproces. Stel: u gaat een halve minuut weg en plotseling
begint de hond te janken. Stop de sessie zonder een beloning en
begin opnieuw, maar nu blijft u amper één seconde weg en bouwt
geleidelijk weer op wat de tijd betreft.
Uit "Hondenproblemen oplossen", door Erik Sannen